Column Ochtend

door mephisto

Ik had toch niets te doen en ging wandelen. Het regende. Diep in mijn zakken begroef ik m’n handen. M’n hoofd verzonk in de rechtopstaande kraag van mijn bruin jasje. Regen is goed, hield ik mezelf voor, het slaat het stof van de stad plat en opent de longen, misschien spoelt het wel enkele bacterien weg, dat weet ik niet. Ik zette er flnk de pas in.

Nog geen twee straten ver was ik. Op een vensterbank stond een vrouw. Het was geen bijzonder jonge vrouw maar ook geen stokoude. Zij hing ergens tussenin, zoals wij allemaal. Ik dacht eerst dat zij de ramen aan het lappen was. Maar vermits zij met haar rug naar het raam gedraaid stond en er geen emmer te bekennen viel was dat uitgesloten. En wie lapt er bovendien ramen als het regent? Ik rook onraad en hield halt, nog steeds met de handen in de zakken, en staarde naar boven, de regendruppels teisterden mijn ogen. Twee verdiepen hoog stond zij, hoger ging niet.

"Ben ik dood als ik spring?" riep zij plots. Ik schrok. Ik dacht dat zij mij niet gezien had. Misschien voelde ik mij betrapt. De ramptoerist in mij schaamde zich maar niet diep genoeg om het ongegeneerd af te trappen. Ik liep aarzelend naar de overkant van de straat om een beter overzicht te krijgen. Het was een nogal achtergesteld straatje met weinig verkeer. Ik deed mijn uiterste best om een noodplan te bedenken. Dat viel dik tegen. Het was ochtend en niet mijn beste uur van de dag.

"Wacht even" riep ik "ik zal eens kijken" Dat was wellicht een onnozele opmerking maar ik was volledig van de kaart door deze plotselingen verwikkelingen in mijn leven. Ik wilde op haar inpraten zoals in de film. Met zoetgevooisde stem zou ik haar kalmeren tot zij de waanzin van haar poging zou inzien. Want een poging was het alleszins, daaraan twijfelde ik geen moment. Zij meende het. Dat viel van de verbeten trek rond haar mond af te lezen. "Ik denk het wel" riep ik "ik denk het wel". Ook na deze woorden bedacht ik bij mezelf dat dit niet hielp.

Zij keek naar mij. Ik schrok van het vuur in haar ogen. Tot dan had ik steeds gedacht dat mensen die zelfmoord wilden plegen geen greintje wilskracht hadden. Misschien hadden zij wel meer wilskracht dan zij die bleven leven. Ik zweeg. Mijn hersenen porden vergeefs mijn mond aan om eender wat te brabbelen, als het maar geruststellend en kalmerend was. Het was integendeel zij die sprak. Zij vroeg of ik rookte. Ik knikte van nee. "Fijn" zei zij "echt heel erg fijn" Ik wilde roepen dat roken nefast voor de gezondheid is maar ik slikte mijn woorden in. Wat heb je aan gezondheid als je van twee verdiepen hoog wil springen?

Ik was werkelijk stomgeslagen. Geen woord kon ik uitbrengen. In de films ging praten vanzelf. Maar ik was nu eenmaal geen filmster. Zij ook niet. Ik riep: "Je bent geen filmster en ik ook niet" Ik vond mezelf grappig en grijnsde m’n tanden bloot. In het grijnzen ben ik super, vooral ’s ochtends. Zij schuifelde plots naar rechts. Rechts stond een raam op een kier. Dat was een goed teken, dacht ik. En ik had gelijk. Zij klauterde terug naar binnen.

Net op het moment dat ik m’n wandeling wilde hervatten stormde zij het huis uit. Zij liep op mij af en vroeg of ik haar aantrekkelijk vond. Ik vroeg of ik daar even over mocht nadenken. Had ik meteen "nee" gezegd dan kroop zij misschien meteen weer op de vensterbank van twee verdiepen hoog. "Dat zeg je maar opdat ik geen zelfmoord zou plegen" zei zij. "Dat kan kloppen" antwoordde ik. Ik kreeg het op mijn heupen van dat gesprek. Van zo babbelen krijg ik het sowieso op mijn heupen 's morgens.

Zij droop af en ging terug naar binnen. Ik breide een vervolg aan mijn wandeling. Zo was het leven: er gebeurde iets en tegelijk gebeurde er eigenlijk niets. ’s Nachts lag ik in bed lang naar het witte plafond te turen. Ik vroeg mij af wat een mens voor een ander betekende. Konden wij echt tot elkaar doordringen met al onze wel overwogen woorden en fijne gebaartjes en de hele resem aan communicatieve hoogstandjes? Ineens werd ik droef. Zo erg dat ik snapte waarom die vrouw naar een vensterbank op twee hoog verlangde. Gelukkig ben ik een optimist, net als Jezus. Die nacht droomde ik de droom van Martin Luther King maar dan anders. En ’s ochtends at ik een boterham met banaan maar zonder boter want daar word je dik van. Er stak geen symboliek in. Ik had gewoon honger.

Terug naar de lijst
» REACTIES VAN MEDELEDEN
schandknaap Baaz schreef op donderdag 21 juli 2011 om 17u30 Email-orange
Jezus is een realist.
meld je aan of registreer je om een reactie te plaatsen